|
Herplaatsing
Mijn bevrijding
Zoals ik in mijn boek vertel werd ik bevrijd door één soldaat. Een jongen nog, nauwelijks ouder dan ik. Nou ja, hij zal 18 of 19 jaar zijn geweest denk ik nu.
Na zijn vertrek uit de resten van het gebouw waarin ik de laatste dagen geschuild had ging ik ook de straat op. De straat was uitgestorven, geen levend wezen te zien. Ik begaf me in de richting van het station, waar ik de bunkers wist en hoopte daar bekenden aan te treffen. Inderdaad was daar veel volk op straat, allemaal buitenlanders te oordelen op hun uiterlijk voorkomen. Bekenden ontdekte ik niet. Ik zocht nog naar Jan Hermans maar kon hem niet vinden.
Later, terugdenkend aan die eerste dagen na de bevrijding, had ik geen verklaring voor het feit dat ik geen spoor van blijdschap voelde en dat begrijp ik ook nu nog niet.
Wat ik wel voelde was de drang naar huis te willen, naar Dordt, naar mijn familie. Heel sterk voelde ik het verlangen naar huis te gaan maar, het voor mij onverklaarbare was, dat ik me de gezichten van mijn ouders en mijn twee zusters niet voor de geest kon halen. Weer schrok ik daar heftig van, zoals al eerder gebeurd was de laatste tijd.
Ik besloot, gevolg gevend aan de drang naar huis te gaan de uitvalsweg naar buiten de stad op te zoeken en dan maar in westelijke richting te gaan lopen. Nog meer mannen deden hetzelfde. Duitsers waren er niet op straat, wel hier en daar kleine clubjes buitenlanders die op weg waren naar huis of naar nergens.
Tegen een puinhoop aan zag ik een kinderwagen op zijn kant liggen en nieuwsgierig ging ik kijken wat er in zou zitten. Het was mijn geluksdag, want ik trof twee mooie dekens aan, keurig opgevouwen. Voorts twee boeken,die ik wegsmeet en twee diepe soepborden en bestek. Ik nam de kinderwagen mee, hij was nog helemaal in tact. Een eind verderop lag een dode Duitser op zijn rug, ik keek zo tegen de onderkant van zijn laarzen aan en dat herinnerde mij eraan dat mijn schoenen behoorlijk hadden geleden. Dus trok ik de man zijn laarzen uit en gooide ze in mijn kinderwagen.
Na een paar straten werd het drukker op straat maar geen Duitsers te zien. Ineens klonken schoten, heel dicht bij mij. Dan ontwaarde ik een man, zo dronken als een aap, nauwelijks in staat zich overeind te houden die op mij af kwam en mijn kinderwagen opeiste. Het was vrijwel zeker een Russische dwangarbeider.Hij had een groot pistool in zijn hand en stak dat boven zijn hoofd omhoog en schoot weer een paar keer. Hij viel daarbij op z'n gezicht maar krabbelde weer omhoog. Ik wachtte dat niet af en rende met mijn wagentje ver van de man weg. Nog een paar maal hoorde ik een schot maar daar hoefde ik geen angst voor te hebben. Op de hoek van de straat keek ik nog eens om en zag de man bewegingloos languit op straat liggen. Andere mannen, allemaal mensen als ik liepen langs de man en negeerden hem. Ik ging verder de andere weg op en sloot me aan bij een grotere groep mannen, die allemaal kennelijk dezelfde plannen hadden als ik: zo snel mogelijk naar huis.
We kwamen niet ver want al na een paar honderd meter stuitten we op een militaire colonne van het Canadese leger. Een paar jeeps werden dwars op de weg gezet, zodanig dat de colonne verder kon rijden maar wij werden door de MP opzij van de weg gedirigeerd. Dat gebeurde met veel geschreeuw en nerveus gedrag. Later heb ik begrepen dat die militairen op hoogspanning opereerden want ze konden van alles verwachten bij het binnentrekken van veroverde steden in Duitsland.
Ze wisten waarschijnlijk niet wat ze met zo'n haveloos stelletje zwervers aan moesten. Waren het werkelijk gevangenen van de Duitsers die nu vrij waren ofwel waren het toch nog Duitsers die verzet zouden kunnen plegen? Om dat uit te vinden werden we in rijen gezet, een stuk of vijftien rijen denk ik van telkens één man achter de ander. Om ons heen stonden, met hun rug naar de colonne, wel een twintig soldaten met hun wapen in de aanslag. Iedere rij werd heel ruw gefouilleerd door een soldaat met in zijn rechterhand een groot pistool. Eén keer ging er door de spanning van de soldaat een schot af, waarvan de kogel zich naast mijn voeten in de grond boorde.
Nadat iedereen gefouilleerd was werd de spanning bij de soldaten veel minder en werden hier en daar gesprekken gevoerd. Dat gebeurde in slecht Duits en dito Engels. De Canadezen, want dat waren het inderdaad begrepen nu dat wij slachtoffers waren van het nazi regiem en ze deelden sigaretten uit en haalden een soort biscuits uit hun voertuigen die ze verdeelden. Nooit heb ik lekkerder kaakjes gegeten dan die dag!
We moesten bij elkaar blijven zo werd ons duidelijk gemaakt en na een poos kregen we opdracht met elkaar naar een klein plein te gaan, onder begeleiding van een aantal soldaten. Daar aangekomen zag ik dat er grote groene legerauto's stonden met rode kruizen erop. We moesten weer rijen vormen en werden stuk voor stuk door een vrouwelijke soldaat met een rodekruis armband, behandeld met een wit poeder tegen de luizen. Dat ging niet zachtzinnig. De vrouwen beduidden ons onze overhemden zo ver mogelijk te openen, waarna ze met een soort handspuit poeder onder onze oksels spoten, op de borst en de rug en vervolgens moest de broek los en werd er driftig poeder in onze broeken gespoten. Bij mij deed dat nogal pijn, want de vrouw die mij behandelde ramde de spuit in mijn gulp en spoot dat het een lust had. Ik stikte bijna in de poederwolk. Zijzelf had daar geen moeite mee want alle vrouwen droegen gezichtsmaskers.
Na het ontluizen, nou ja ontluizen…? De meeste luizen zullen wel gedood zijn door het poeder, maar of de behandeling werkelijk effectief was weet ik nog steeds niet. Maar daarna dus kregen wij een warme prak die in onze eigen blikken, borden of wat dan ook gekwakt werd. Sommigen bezaten niets om eten te ontvangen en kregen de hap op aluminium borden aangereikt. Na de prak kregen we zelfs nog een soort pap die verschrikkelijk zoet was. Er was melk, thee en water, we voelden ons heel erg verwend.
Dan werden we ondergebracht in een complex van gebouwen aan de rand van de stad, wellicht een kazerne dat weet ik niet meer zo goed. Ik werd met een groep mannen geplaatst in een lokaal met stapelbedden waarop strozakken lagen die al eerder gebruikt waren. Er was geen elektrisch licht en omdat iedereen doodmoe was van het gesjouw de hele dag werd het al gauw stil en sliep de hele horde. Ik had mijn kinderwagen achter moeten laten, maar de buitgemaakte laarzen had ik behouden en die nam ik mee in mijn bed, bedacht op het stelen ervan.
De volgende dag kregen we al heel vroeg een ontbijt dat bestond uit brood, boter, eieren, jam en thee. Ook ontvingen we allemaal een plak chocolade en een pakje sigaretten.
Op het eind van de ochtend werden de Hollanders bij elkaar gezet en moesten op een vrachtauto klimmen. Wat er met de anderen gebeurd is weet ik niet omdat zich dat aan mijn waarneming onttrok doordat de vrachtwagens waarop wij hadden plaats genomen direct wegreden.
Niemand vertelde ons waarheen we gebracht werden en er werd weer als vanouds van alles verzonnen. De auto's, ik weet niet meer hoeveel het er waren, ik dacht een stuk of vier werden bestuurd door zwarte chauffeurs die er behoorlijk de gang in hielden. Al heel snel reden we over een autobahn in, zoals later zou blijken, Nederlandse richting. De vrachtwagens hadden in de lengterichting aan kettingen hangende zitbanken en waren niet afgedekt met zeilen. Dat was geen probleem want het was zacht weer en de mannen waren in opperbeste stemming. Ik werd daardoor niet aangestoken want ik voelde nauwelijks enige emotie.
Alles was zo ontzettend onwerkelijk: gisteren nog was ik een gevangene, een dwangarbeider, een geminacht wezen, geknecht. Nu werd ik met een volle buik teruggereden naar huis, tenminste dat was wat ik aannam. Het zou anders gaan. Tegen de avond kwamen we aan bij een klooster in Vlodrop.
Mijn boek heb ik kunnen schrijven doordat ik, zoals bekend het verhaal meerdere malen schreef en later weer vernietigde. Ik schreef echter vanaf het begin uitsluitend over de periode voor de bevrijding, dus de tijd waarin ik het heel slecht had. Mijn leven na de bevrijding vond ik kennelijk weinig interessant en schreef er dus niets over. Doordat er tijdens mijn leven na de oorlog zo heel veel gebeurde raakte veel van wat er kort na de bevrijding gebeurde wat in de vergetelheid. Het vond allemaal plaats in een soort verdoving lijkt het wel, zonder enige emotie, als een anticlimax. Vandaar dat ik stukjes uit mijn geheugen kwijt geraakt ben waardoor ik niet meer zo goed weet hoe lang we in dat klooster verbleven. Dat zal heel kort geweest zijn, vermoedelijk een dag of twee. Wat ik me wel herinner is dat ik daar heerlijk gedoucht heb en dat mijn haar kort geknipt werd. Ook kreeg ik andere kleren, niet nieuw, maar goed passend en in mijn ogen te mooi. Alleen de laarzen die ik met me meegezeuld had bleven bij mij en die droeg ik nog heel lang.
Met een groene leger autobus werd ik met een groep andere mannen naar Mierlo-Hout gebracht, waar we werden ontvangen door de dorpsbewoners. Zij kozen zich iemand uit onze groep en namen hem mee naar huis. Zo werd ik gekozen door het echtpaar van der Laar en mocht met hen mee naar hun huis. Zij woonden aan de Zuidelijke Parallelweg in Mierlo-Hout.
Na kennismaking met de andere gezinsleden kreeg ik van Moeke v.d.Laar een slaapkamer toegewezen met een heerlijk schoon bed, lakens en dekens!! Een eigen slaapkamer, wat een weelde, ik kon het niet geloven. Zoiets was geheel nieuw voor mij. Nogmaals het was heel onwerkelijk, alsof ik droomde!!
Mij werd verteld, dat Nederland boven de grote rivieren nog steeds niet bevrijd was en dat de oorlog ook nog niet was afgelopen. Dat was ook weer zoiets: het deed mij niets, ik voelde geen enkele emotie, alles leek heel ver van me af. Ik trachtte aan thuis te denken maar al dat nieuwe belette dat. Ik zou tot de oorlog voorbij zou zijn bij de familie v.d.Laar mogen blijven.
Het was een prachtig harmonieus gezin. Behalve Pa en Moeke was daar Zus v.d.Laar, de enige dochter. Zij was denk ik een jaar of twintig, kon mooi zingen en speelde prachtig piano.
Dan was er de veelzijdige Adriaan. Hij was kunstschilder, pianoleraar, componist. Een heel bijzondere man. De namen van de andere zonen zijn mij in de loop der jaren ontgaan. Zij waren niet zo vaak thuis overdag, zullen wel een baan hebben gehad neem ik aan. Eén van hen speelde accordeon de andere trompet. Er was ook vioolmuziek, maar wie de viool bespeelde is me ontgaan, maar ik denk dat het Adriaan was.
Tijdens de weekeinden was het feest voor mij want dan zong en musiceerde het gezin met heel veel overgave en plezier. Dat was allemaal zo nieuw voor mij en zo geweldig indrukwekkend, dat ik me er heel klein bij voelde. Maar dat werd heel snel bij mij weggenomen, doordat ik werd uitgenodigd mee te zingen en dat deed ik. Ze vonden het prachtig zeiden ze, ik leerde snel en had in die tijd een wel leuke stem geloof ik.
Het gezin was uiteraard RK, zoals vrijwel iedereen in die omgeving. Ik bad aan tafel braaf met hen mee en ging ook mee naar de kerk in Helmond. Ik genoot van de saamhorigheid in het gezin, de liefde voor elkaar( ook voor mij), ik begon me helemaal thuis te voelen en vergat de hele oorlog en alles wat ik had beleefd.
Het verhaal ging dat Dordrecht helemaal plat was gebombardeerd door de geallieerden omdat in die stad een Duits hoofdkwartier gevestigd was. Ontelbare doden zouden er zijn en het grootste deel van Dordt van de kaart geveegd. Nou, dat was dan dat, ongeveer zoiets ging er door me heen. Ik hoefde dus niet meer terug naar huis omdat dat er niet meer was en hoe extreem dit ook moge lijken: ik voelde geen emotie, geen verdriet, ik was totaal afgestompt denk ik.
Omdat ik de mis in de kerk in Helmond zo mooi vond en al het gedoe er rond heen, gepaard aan de harmonie en de voelbare liefde binnen het gezin v.d.Laar wilde ik dolgraag ook RK worden. Vroeger thuis spotte mijn vader altijd met het geloof dat mijn moeder zo trouw aanhing en aan ons trachtte over te brengen. Dat kwam in dit gezin niet voor, zij waren allemaal eensgezind trouw aan de RK kerk en geloof. Het was zo heerlijk rustig binnen het huis en het gezin v.d.Laar, dat ik me voornam om later ook te worden als de grote zonen en zeker als Pa v.d.Laar.
In het dorp trof ik van tijd tot tijd mannen uit de groep met wie ik hier terecht gekomen was. Daarvan vernam ik dat een paar vertrokken waren om te trachten thuis te komen in het nog steeds niet bevrijde Nederland. Ook trof ik daar weer Jan Hermans die was ondergebracht bij naar ik meen het enige NH gezin in het dorp. We zochten elkaar regelmatig op natuurlijk en deden kleine karweitjes voor onze gastgezinnen. Het gezin waar Jan verbleef had een zoon van mijn leeftijd en daar trokken we ook mee op. Jan had het heel moeilijk, want zijn oudere broer Henk was gesneuveld in Essen. Niet helemaal duidelijk was het hoe of waardoor hij gestorven was. Jan had het moeilijk mede doordat hij thuis zou moeten vertellen en uitleggen dat zijn broer dood was. Vreselijk!
Aan dezelfde weg waar ik woonde trof ik een meisje aan, van ongeveer mijn leeftijd. Zij was een dochter van de familie van Lieshout. Haar ouders hadden een timmerfabriekje en ik meen dat daar o.a.houten speelgoed werd gemaakt
Het meisje werd ook Zus genoemd en dat deed ik dus ook. Een paar maal heb ik met haar een eind de Parallelweg op en neer gewandeld, langs de spoorbaan die, niet zo vreemd gezien de naam van de weg, daaraan parallel lag. Ik was inmiddels 17 jaar oud, mijn verjaardag was voorbijgegaan zonder dat ik het bemerkte, en ik vond haar heel aardig. Wat heet aardig? Ik vond haar mooi, heel aantrekkelijk ook, maar daar wist ik geen weg mee. Het maakte me heel verlegen. Doordat ik heel goed te eten kreeg en snel herstelde van de ontberingen, begonnen de hormonen natuurlijk ook hun rechten op te eisen. Ik schaamde me dood daarvoor en voelde me schuldig. Ik voelde voor het eerst in mijn leven iets wat leek op verliefdheid denk ik, maar voelde me daar schuldig door. Ik herinnerde me ineens iets wat ik mijn moeder een paar maal hoorde zeggen tijdens gesprekken die niet voor mijn oren bestemd waren, nl: "Het is misdadig een meisje onder die omstandigheden zo ver te brengen, dat mag een man niet doen". Destijds had ik geen flauw idee wat dat betekende, waar het op sloeg, maar ineens besefte ik dat wel en schaamde me dus. Ik vermeed zo veel mogelijk haar te ontmoeten en daar bleef het bij.
Ik denk dat het in juni of juli was dat ik moest vertrekken naar huis. Noord Nederland was sinds 5 mei vrij en inmiddels waren wat spoorlijnen en bruggen etc. weer zover hersteld dat ik naar huis kon gaan zo luidde het. Wat ik daarvan vond is mij niet meer bekend, maar heel emotioneel is het niet geweest want dan zou ik er toch wel iets van hebben onthouden.
Van het afscheid herinner ik me ook niets. Weer die verdoving!! Van de reis naar Dordrecht weet ik ook bijna niets meer. Wel dat ik in een trein heb gezeten, maar ook in een bus.
Ik herinner me ook dat ik, op een platte open goederenwagon zittend van grote afstand al de toren van onze Grote Kerk kon zien. Ook weet ik nog dat ik toen gehuild heb, ik was heftig geëmotioneerd.
Omdat de spoorbrug naar Dordt kapot was moet ik van Zwijndrecht op één of andere wijze naar het station in Dordt gebracht zijn. Daar zag ik mijn vader staan. Hij leek niet meer zo groot als hij vroeger was, ik zag hem nauwelijks als mijn vader, ik had het gevoel er niet bij!
De Hallinqhof leek mij smaller dan hij ooit was. Ons huis was volkomen vreemd voor mij en de armoede sloeg mij in het gezicht, ook de huisgeur!
Mijn moeder zat in haar stoel. Zij kon niet opstaan, want haar benen weigerden hun werk te doen en dat zou zo blijven tot haar dood veertien jaar later.Mijn beide zusters waren duidelijk blij met mijn thuiskomst en zoenden mij om het hardst.
Niemand die mij vroeg hoe het was in Duitsland, wat mij overkomen was, hoe ik me voelde.
Ik vroeg ook niet aan hen hoe ze het gehad hadden tijdens mijn afwezigheid. Ieder had in die tijd zijn eigen oorlogsverhaal en had daar meer dan genoeg aan.
Nu brak de tijd van werken aan voor de toekomst.
|